Serie 2 : Nederlandse werkwoorden (= Nederlandse verba)
drinken / oversteken / leiden, aanvoeren / besturen / slaan / (op)tillen / eten / huppelen / afsluiten / drijven / jongleren / kijken [naar] / vliegen / springen / marcheren / (op)vouwen / (tegen de bal) schoppen / mengen / volgen, kloppen / zwabberen, dweilen / geven / lachen / opendoen, openen / schaatsen, schaatsenrijden / vegen, bezemen / (rechts) afslaan / (rond)dartelen / zwemmen / lopen, stappen, wandelen / slapen / schommelen / afwassen, de afwas doen, de vaat doen / (af)glijden / nemen / wuiven / niezen / spreken, praten / afvegen / (de bal op zijn vingertop) laten (rond)draaien / vertellen / werken / staan / gooien, werpen / schrijven / blijven staan, stoppen / (zijn veters) vastmaken, strikken / gapen, geeuwen
~
http://profnederlands.blogspot.be/2017/04/woordenschat-werkwoorden-verba-2-verbes.html
Photo
Shared publiclyView activity