Nederlandse werkwoorden (verba) (serie 1) :
dragen / komen / vragen / grijpen, pakken, vangen / koken / bakken / (in de handen) klappen, applaudisseren / huilen / bijten / schoonmaken / kniippen, snijden / (de bal) laten stuiten, laten opspringen [ook : de bal laten terugspringen] / klimmen / dansen / (zijn tanden) poetsen / dichtdoen, sluiten / (om)spitten / bouwen / kleuen / tekenen / roepen / kammen / dromen / inpakken / trekken / schrobben / verven, schilderen / duwen / zien / plakken / harken / zetten, plaatsen / plukken / lezen / naaien / planten / rijden / schreeuwen / spelen / roeien / tonen / (aan)wijzen / rennen, hard lopen / zingen / (in)schenken / zeilen / zitten.
~
http://profnederlands.blogspot.be/2017/04/woordenschat-werkwoorden-verba-1-verbes.html

Photo
Shared publiclyView activity